Lezingen 2017

Hieronder vindt u de lezingen die ik dit jaar voorbereid. Als u een lezing wilt organiseren, kunt u die aanvragen via Tijd/Ruimte.

Design
Film en fotografie
Kunst en sport
Kunst en literatuur
Kunst en muziek
Kunst en erotiek
Kunst en esoterie
Kunst en exotiek
Kunst en mythologie
Kunst en eten drinken roken
Kunst en vorsten
Kunst en vrouwen
Licht kleur beweging
Kunst en geschiedenis
Oudheid
Middeleeuwen
Renaissance
Barok
Romantiek
Realisme Impressionisme
Symbolisme
Expressionisme kubisme futurisme
Constructivisme Surrealisme Magisch Realisme
Naoorlogs
bouwkunst en steden

 

 

Lezingen repertoire 1 Design

Haute couture: kunst en mode
Een korte, wervelende geschiedenis van de banden tussen kunst en mode, vanaf Charles Worth tot Viktor & Rolf, via Sonia Delaunay, Elsa Schiaparelli, Max Ernst, Salvador Dalí, Piet Mondriaan en nog veel meer.

Space Age Design
Optimistisch geloof in de vooruitgang is een steeds terugkerende factor in de kunst en toegepaste kunst. Maar in de jaren zestig nam dat een heel eigen vorm aan, toen de wedloop in de ruimte tussen Russen en Amerikanen terecht kwam in de haute couture, de leefomgeving en natuurlijk in sciencefictionfilms. Tegenwoordig zijn de vaak bizarre ontwerpen van ‘de toekomst’ populaire verzamelobjecten uit ‘het verleden’.

Dick Bruna, de kunstenaar
De internationaal beroemdste Nederlandse illustrator is zonder twijfel Dick Bruna. Hoewel weinig Nederlanders hem een modern kunstenaar zouden noemen, probeerde hij de moderne kunst van schilders als Fernand Léger, Matisse, Mondriaan en Picasso via zijn befaamde Nijntje-kleuterboeken te verspreiden.

Gebakken beelden: keramische sculptuur
Paul Gauguin was een van de eerste schilders die zijn ideeën vormgaf in vazen, potten en borden. Meteen daarna, in de Art Nouveau-periode, was het al een volwassen kunstvorm, vooral dankzij Nabi-kunstenaars als Pierre Bonnard en Edouard Vuillard. Latere kunstenaars als Picasso en Miró maakten gretig gebruik van de half artistieke en half decoratieve aspecten van keramiek.

Celtic Revival: de Glasgow School of Arts en de Schotse kunst rond 1900
Een van de belangrijkste centra van Art Nouveau was Glasgow, waar een modern gestileerde variant ontstond onder leiding van Charles Rennie Mackintosh, met zijn vrouw, schoonzuster en zwager. De karakteristieke vierkantjes waarmee menige Tearoom werd gedecoreerd vonden eerst hun weg naar Wenen.

 

 

Lezingen repertoire 2 Film & fotografie

Een Amsterdamse geschiedenis van de fotografie
Fotografie is een kunst met een rijke geschiedenis. Al in de negentiende eeuw probeerden fotografen de schilderkunst te benaderen door zeer ingewikkelde technieken toe te passen op afdrukken, zodat het net schilderijen leken. Tegelijk vonden veel fotografen dat een kunstvorm was met een eigen esthetiek en eigen dynamiek, die in het atelier maar beter nog buiten gehanteerd moest worden.
Hoewel de meeste ontwikkelingen zich in Frankrijk, Engeland, Duitsland en de Verenigde Staten voordeden, speelde zich een rijke ontwikkeling af in Amsterdam. Zowel de pittoreske oude stad als de dynamische uitbreiding en industrie rond 1900 werden vastgelegd door Jacob Olie, George Hendrik Breitner, Bernard Eilers en Pieter Oosterhuis. Tijdens en na de bezetting richtten Cas Oorthuys, Emmy Andriesse, Eva Besnyö, Philip Mechanicus en Dolf Kruger hun camera op het leven in Amsterdam, met name in de oude Jodenbuurt en Nieuwmarktbuurt. Ook de Amerikaanse fotograaf Leonard Freed, die werkte voor het legendarische fotobureau Magnum, hield van Amsterdam: hij woonde er gedurende de jaren vijftig en zestig en publiceerde Joods leven in Amsterdam in 1958 en Amsterdam in 1964.
De vele uiteenlopende rellen tussen 1965 en 1980 maakten Amsterdam tot een slagveld voor fotojournalisten, die meteen de verdwijnende stad vastlegden, zoals rond de Nieuwmarktrellen in 1975. Ad Windig, Bert Nienhuys en Pieter Boersma schreven die geschiedenis.

Fotografie en film in de vroege Sovjet-Unie
Alles kon in de beginjaren van de Sovjet-Unie en kunstenaars, dichters en componisten legden een grote belangstelling voor techniek aan de dag om de Nieuwe Maatschappij mee vorm te geven. Met het constructivisme konden film en fotografie de ongeletterde massa op een moderne, laagdrempelige manier bereikt worden.

 

 

Lezingen repertoire 3 Kunst en sport

Sport in de kunst 1910-1940
Nooit waren sport en kunst zo verweven als in de jaren van de historische avant-garde. Voor moderne kunstenaars was sport een uitdrukking van een nieuwe, dynamische eeuw. Snel bewegende kleurvlakken in de vorm van atleten of voetballers was favoriet bij futuristen en constructivisten, terwijl bijvoorbeeld boksen meer aansloeg bij expressionistische schilders.
Olympia
De herleving van de Olympische Spelen was een streven naar het Griekse beschavingsideaal, volgens welk een gezond, evenwichtig geproportioneerd lichaam de uitdrukking was van waarheid, deugdzaamheid, oprechtheid, kortom alles wat goed is in een beschaving. Baron Pierre de Coubertin was een van de velen die streefden naar eenzelfde ideaal in de moderne samenleving.
Van 1912 tot 1948 werden op de Olympische Spelen ook medailles uitgereikt aan schilders, beeldhouwers, architecten, componisten en schrijvers die zich door sport lieten inspireren. Omdat alle politiek was in die jaren, werd ook sport ingezet als politiek instrument: niet alleen de Spelen van 1936 in nazi-Berlijn en de alternatieve, ‘democratische’ Spelen in Barcelona, maar er werden internationale socialistische Spelen gehouden, communistische (de Spartakiade) en joodse (de Maccabiade). Kunstenaars leverden enthousiast bijdragen, zoals de tentoonstelling die in 1936 in Amsterdam werd gehouden onder de macabere titel D.O.O.D. – De Olympiade Onder Dictatuur
 

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

 

 

Lezingen repertoire 4 – Kunst en literatuur

Na Brueghel: Spreekwoorden en uitdrukkingen op zeventiende-eeuwse schilderijen
Van de circa tachtig spreekwoorden en gezegden op Pieter Brueghels befaamde schilderij wordt een deel nog altijd gebezigd. Een aantal vond in de zeventiende eeuw zijn weg naar Noord-Nederlandse embleemboeken, waarin spreuken met plaatjes en versjes werden gecombineerd tot wijsheden, met name over de liefde. Op het oog alledaagse scènes op schilderijen van Jan Steen, Frans van Mieris, Gabriël Metsu en vele anderen blijken verborgen vermaningen te bevatten die destijds  voor iedereen duidelijk waren.

Ossian, de Homerus van het noorden
Wellicht de beroemdste hoax uit de wereldliteratuur was de publicatie van Fragments of ancient poetry, collected in the Highlands of Scotland, and translated from the Gaelic or Erse language. Al snel bleek de auteur een Schotse historicus te zijn die oude legenden had samengevoegd en uitgebreid, maar het succes was er niet minder enorm om. Na Schotland veroverde Ossian de Britse eilanden en vervolgens het Europese vasteland, waar met name Napoleon in Ossian het noordelijke equivalent van Homerus zag. De beste schilders waagden zich aan de Keltische legenden en tot ver in de negentiende eeuw zagen dito composities van Schubert, Gade en Brahms het licht.

Shakespeare-verering
In april 1616 overleed Shakespeare. De brede Shakespeare-verering kwam pas eind achttiende eeuw in Engeland en in de negentiende op het continent. Uitgerekend schilders en componisten van de Franse Romantiek sloten de bard in de armen, terwijl er nog geen letter was vertaald.

Shakespeare: Twelfth Night
Twelfth Night, in het Nederlands vertaald als Driekoningenavond, brengt u het betoverende verhaal over de ingewikkelde liefdesverhouding van een hertog, een weduwe en een jonge dame die zich voor deed als schone jongeling. Het speelt zich af aan het legendarische hof van de Hertog van Orsino in Illyrië. Natuurlijk zijn ook de andere spelers geslepen, sluw, pompeus of zelfs dronken…

Don Quichot in de kunst 1616-2016
Miguel Cervantes, gestorven op dezelfde dag als Shakespeare in 1616, wilde een parodie maken op de ridderroman, in zestiende- en zeventiende-eeuws Spanje ongebreideld populair. Vooral negentiende-eeuwse kunstenaars herkenden zich in de eenzame lezer, in wie een strijd woedt tussen platte werkelijkheid en hoge verbeeldingskracht. Het boek werd een favoriete roman van de Verlichting, want Don Quichot ziet zijn dwaling in en dit beschouwde men als bekering tot de rede. Cervantes werd daarom bewonderd als ‘verlichte’ bestrijder van feodaliteit en bijgeloof. In de Romantiek werd Don Quichot geactualiseerd als eigentijdse martelaar in de strijd tegen burgerlijkheid en conventie. Kunstenaars gaan zich identificeren met de moedige en eenzame ridder. Don Quichot is een sympathieke idealist, die de reuzen van zijn tijd bestreed en wiens tragische kanten worden benadrukt, een alter ego van de romantische kunstenaar. In de twintigste eeuw wordt Don Quichot zowel een belichaming van Spanje als een kinderboek. De Romantische opvatting leeft nog voort in het Surrealisme (Dalí) en in de musical Man of la Mancha, waarvan de hit ‘To dream the impossible dream’ perfect de actuele waarde samenvat van Don Quichot als idealist die zijn dromen wil verwezenlijken.

Salammbô!
Een multimediale lezing over de spectaculairste roman van de negentiende eeuw.
Salammbô is een vuistdikke roman van Gustave Flaubert uit 1862, vol wreedheid en erotiek, liefde en oorlog. Tegen de historische achtergrond van de Huurlingenoorlog tegen Carthago (240-237 v. Chr.) sleept Flaubert de lezer mee in een orgie van bloeddorstige opstandelingen, sensuele tempeldienaressen, wrede mensenoffers, zinderende woestijnhitte en gewelddadige afgoderij. Flaubert maakt van het historische gegeven een strijd tussen een beschaving en onderdrukte groepen, ‘de Barbaren’, de een vertegenwoordigd door de slimme generaal Hamilcar Barca, de ander door de nobele Galliër, de sluwe Griek en de duistere Numidiër. Daarnaast is Salammbô voornamelijk een exercitie in sensueel en gewelddadig oriëntalisme.
Beruchte scènes zijn de naaktdans met de slang, de kinderoffers aan Moloch en de diefstal van de heilige Zaïmph. De beschreven Carthaagse kostuums beïnvloedden de mode in Parijs, en de tientallen herdrukken van de afgelopen 150 jaar gaven evenveel kunstenaars gelegenheid tot duister exotische illustraties. Behalve vele schilderijen en beelden van de priesteres Salammbô en haar barbaarse geliefde Mâtho heeft het boek ook zes opera’s en twee films voortgebracht. Opera en film komen samen in de aria-scène in Citizen Kane van Orson Welles.
Michel Didier volgt het verhaal van Salammbô aan de hand van kunstwerken, illustraties, strips, opera- en filmfragmenten.

 

 

 

Lezingen repertoire 5 Kunst en muziek

Jan van Eyck en de muziek aan het Bourgondische hof
Voor Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Jan de Goede, Karel de Stoute en Maria de Rijke werkten tal van kunstenaars die we rekenen tot de ‘Vlaamse Primitieven’, de Renaissance van het Noorden, van Rogier van der Weyden tot Hans Memling. Maar ook muziek genoot aan het praalzieke hof een bijzondere belangstelling: Gilles Binchois, Robert Morton, Guillaume Dufay en Antoine Busnois genoten internationaal veel aanzien.

Muzikale schilderkunst en beeldende muziek
over het streven naar abstracte kunst met een beroep op de muziek: kleur en harmonie, lijn en melodie. Van de harmonische kleuren van Delacroix en Whistler tot de melodische lijnen van Klimt en Matisse; van de klankkleur van Ravel tot de programmamuziek van Liszt en Strauss

De vergelijking tussen muziek en beeldende kunst is al oud. Maar waar in de achttiende eeuw uit die vergelijking steevast de conclusie werd getrokken dat kunst en muziek nou eenmaal nooit samen konden gaan omdat de een voor de ogen was en de ander alleen voor de oren, daar groeien beide kunstvormen in de negentiende eeuw naar elkaar toe. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het streven naar versmelting een van de kenmerken is van de moderne tijd.
Kleur, lijn, harmonie en melodie worden zelfstandige elementen: uiteindelijk kan een schilderij het zonder voorstelling stellen en heeft een compositie geen tooncentrum meer nodig.

De schilderkunst maakt zich los van de puur zintuiglijke waarneming, om steeds meer en beter de innerlijke, onzichtbare zijde van de wereld (buiten en binnen de kunstenaar) te laten zien. De schilderijen van Delacroix, Whistler en Matisse worden ‘muzikale schilderijen’ genoemd, omdat muziek zich niet op de waarneembare werkelijkheid oriënteert.

Veel componisten nemen juist niet langer genoegen met de vage, abstracte aard van de muziek. Ze betrekken er een buitenmuzikale werkelijkheid in. De programmamuziek is beeldende of verhalende muziek: Liszt bedenkt de ‘symfonische gedichten’, Moessorgski, Rachmaninoff, Saint-Saëns, Debussy en vele anderen proberen schilderijen te ‘vertalen’ in muziek.

Kunst in beweging en muziek in de ruimte
over tijd en beweging in de beeldende kunst en ruimtelijkheid in de muziek. Van dans in de schilderijen van de Futuristen, de vierde dimensie van de Kubisten en Theo van Doesburg tot de stereo- en quadrofonische effecten van Berlioz en Bartók

Onze moderne tijd, dat wil zeggen de afgelopen twee eeuwen, heeft een specifieke opvatting van tijd en ruimte, die onder andere bepaalt hoe we kunst en muziek maken en genieten. In vroeger eeuwen stond het overzicht over de wereld voorop. Linnaeus kon een systeem bedenken waar de hele natuur overzichtelijk in kon worden ondergebracht, zelfs de soorten die nog niet waren ontdekt. Schilderkunst was natuurlijk in die visie het meest geschikt om de wereld mee uit te drukken: de schilder bracht alles wat belangrijk was bij elkaar, zodat het publiek dat in één oogopslag kon ervaren.
Rond 1800 verandert die visie en sindsdien is overzicht minder belangrijk dan opeenvolging. In die tijd ontstaat bijvoorbeeld de geschiedwetenschap. Vanzelfsprekend wordt muziek beter gewaardeerd. Beethoven vertaalt Hegels geschiedsopvatting naar muziek: twee thema’s (these en antithese) wisselen elkaar niet alleen af, maar doordringen elkaar totdat ze met elkaar versmelten tot een derde thema, de synthese. Niets keert terug in zijn oorspronkelijke gedaante.
Andere componisten betrekken de ruimte in hun composities. Berlioz berekent nauwkeurig de afstand waarop een bepaald instrument tot ontwikkeling komt en snijdt compositie toe op de ruimte waarin ze ten gehore worden gebracht. Voor het Requiem verdeelt hij vier extra blaasorkesten over de kerk. Bartók streeft een zelfde ruimtelijk effect na in Blauwbaards Burcht. Componisten als Kagel en Stockhausen proberen steeds andere verbanden te leggen tussen muziek en ruimte.
Aan de andere kant proberen kunstenaars de tijd, bijvoorbeeld in de vorm van procesmatigheid, in schilderijen te verwerken. In Parijs, Rusland en aan het Bauhaus verzinnen kunstenaars methoden om beweging in de kunst te brengen.
De klank van de kosmos: symbolisme, mystiek en abstractie
Over de invloed van mystieke bewegingen als de theosofie op het ontstaan van ‘muzikale schilderijen’. Van de visioenen van Skrjabin tot de Foxtrots van Mondriaan en de kosmische doeken van Yves Klein

Het symbolisme is de eerste grote poging om het onzichtbare uit te beelden. De zeggingskracht van de muziek dient als metafoor voor de naar het abstracte neigende schilderkunst. Sommige componisten maken schilderijen bij hun muziek, zoals Ciurlionis, andere introduceren licht en kleur in de muziek om tot een totale begoocheling van de zinnen te komen (Skrjabin). Tot ver in de twintigste eeuw worden lichtorgels en aanverwante apparaten ontworpen.
Luisterend naar muziek komen kunstenaars als Georgia O’Keeffe, Paul Klee, Franz Marc en in Nederland Janus de Winter tot abstracte schilderijen. De ‘klank van de kosmos’ heeft een abstracte organische vorm, evenals het ritme van de natuur. De theosofie en andere mystieke bewegingen bieden handvatten voor schilders vanwege de zingeving aan vormen en kleuren.
Klankkleuren van de avantgarde: van kubisme tot Op Art
Van de relatie tussen Kandinsky en Schönberg, de op Picasso geïnspireerde klankblokken van Lourié tot Jacob van Domselaers ‘Proeven van Stijlkunst’ en de op het netvlies vibrerende ‘resonanties’ van Vasarely

Bijna alle avant-garde-schilders van begin twintigste eeuw gebruiken een ‘muzikale’ werkwijze of muzikale vorm om tot abstracte schilderijen of een weergave van licht, kleur of beweging te komen. Vooral de Expressionisten, die het innerlijk der dingen schilderen, zoeken aansluiting met de muziek. Van Gogh vergeleek tonen met kleuren; De schreeuw van Edvard Munch is geluid, vastgelegd in verf.

Schilders als Paul Klee, Oskar Kokoschka en Johannes Itten kwamen dichter bij een muzikale schilderkunst dan ooit voor mogelijk was gehouden. Vassily Kandinsky begon op latere leeftijd te schilderen, na het horen van Wagners Lohengrin. Zijn schilderijen, getiteld Impressies, Improvisaties of Composities, zijn muzikaal gecomponeerd. Uiteindelijk, in 1910, laat hij de voorstelling helemaal los en ontstaat het eerste abstracte schilderij.

In Arnold Schönberg zag Kandinsky een geestverwant: “Hij heeft voor de muziek gedaan wat ik voor de schilderkunst heb gedaan.” Ongeveer gelijkertijd verliet Schönberg het vaste tooncentrum in de muziek, om een grotere vrijheid tot uitdrukking te verkrijgen. Beiden leverden bijdragen aan het Expressionistische tijdschrift Die Blaue Reiter en beiden schreven theaterstukken waarin muziek, licht en kleur een belangrijke plaats innemen.

De Russische componist Lourié maakt klankblokken, geïnspireerd op het Cubisme van Picasso. Luigi Russolo maakt Futuristische muziek en muziekinstrumenten die ‘puur geluid’ voortbrengen. Jacob van Domselaer ‘vertaalt’ Mondriaans composities in Proeven van Stijl-kunst, terwijl Mondriaan zelf liever naar jazz luistert.

De jaren vijftig en zestig staan in het teken van het zoeken naar de klank van de kosmos: zowel mystiek geïnspireerde kunstenaars als Yves Klein als pure formalisten als de Op Art-kunstenaars maken abstracties die ‘resoneren’ of beweging in ruimte of tijd suggereren.

Verlichting en verlossing: de mystieke drang naar het totaalkunstwerk
Het totaalkunstwerk, een kunstwerk waarin verschillende kunstvormen tegelijk appelleren aan verschillende zintuigen, is gedurende de afgelopen twee eeuwen gemeengoed geworden; de technische mogelijkheden hebben multimedia-installaties tot alledaagse verschijnselen gemaakt. Bij alle nadruk op de technische, formele aspecten is de aard van het totaalkunstwerk echter ondergesneeuwd geraakt: waarom moeten kunstvormen die op zulke uiteenlopende zintuigen als ogen en oren inwerken eigenlijk versmolten worden in één kunstwerk?
Het totaalkunstwerk als ideaal was een streven naar de oneindigheid, een oplossing van alle dichotomieën van het moderne tijdsgewricht in een herstel van verloren gegane eenheden: tussen verleden en heden, tussen heden en toekomst, tussen lichaam en geest, tussen de verschillende kunsten, tussen de verschillende zintuigen, tussen het aardse en het hemelse, het menselijke en het goddelijke, tussen subject en object en tussen de kunstenaar en het publiek, de mensheid. Het totaalkunstwerk is dus een product van de wil van de kunstenaar, de wil tot verlossing van het individu en verlichting van de wereld. Schilderkunst, muziek, poëzie en alle andere kunsten moeten vereenzelvigd worden om een oerervaring te bewerkstelligen: het gevoel van eenheid met het Al, in een poging al de als vervreemdend ervaren dualiteiten van de moderne wereld te overbruggen.

Versmelting der kunsten begin twintigste eeuw: balletten in Parijs
De versmelting van schilderkunst, poëzie en muziek is al een oud streven. In de Romantiek ontstaat het als een bewust streven naar de vermenging van de zintuigen; schilderijen worden muzikaal, muziekstukken worden beeldend. De opera als totaalkunstwerk van de hand van Wagner en Debussy vormt het voorlopig hoogtepunt van deze ontwikkeling.
Tussen 1910 en 1930 komen poëzie, beeldende kunst en muziek daadwerkelijk samen in Parijs: een aantal balletgezelschappen, waarvan de Ballets Russes van Diaghilev het bekendste is, dingen om de gunst van het publiek met zo exotisch of modern mogelijke producties: schilders, componisten en dichters van de avant-garde werkten samen aan roemruchte balletten, waarvan nog foto’s, ontwerpen en zelfs film over zijn. De muziek werd verzorgd door Stravinsky, Debussy, Ravel, Milhaud, Satie en Prokoviev; decors en kostuums door Picasso, Léger, Delauny, Matisse en De Chirico; libretti door Cocteau, Cendrars en Pirandello.
Tot 1930 bloeien deze modernistische totaalkunstwerken; dan neemt de film deze voortrekkersrol over. In experimentele film in de jaren twintig, dertig, veertig en vijftig zoeken kunstenaars naar een nieuwe samenhang tussen ruimte- (beeldende) kunst en tijdkunst (muziek).

 

Van kunst en muziek tot beeld en geluid

Over multimedia als twintigste-eeuws totaalkunstwerk

Pas in de jaren zestig worden de traditionele scheidingsmuren tussen beide kunsten definitief geslecht. Fluxus legt nieuwe verbanden tussen muziek en schilderkunst. Kinetische (beweegbare) sculptuur geeft een nieuw verband tussen tijd en ruimte. Voor de Expo ’58 in Brussel realiseren de architecten Le Corbusier en Jannis Xenakis voor het Philipspaviljoen een gestolde muzikale vorm. De experimentele componist Edgard Varèse voorziet het van een passende geluidsambiance. Xenakis zegt daarop de bouwkunst vaarwel en wordt componist.

Inmiddels is video de film opgevolgd als medium om oren en ogen gelijktijdig te bestoken. Na een eerste generatie kunstenaars en componisten die zich met video ging bezighouden, is nu een generatie pure videokunstenaars groot gegroeid die beeld en geluid, tijd en ruimte, muziek en beeldende kunst niet uit elkaar hoeft te houden.

De eerste generatie videokunstenaars zijn afkomstig uit een andere discipline. De Koreaan Nam June Paik is musicus als hij bij Fluxus in de jaren zestig zijn TV-Cello laat bespelen door een naakte Charlotte Moorman. De Amerikaan Gary Hill is beeldhouwer totdat hij de video ontdekt om daar beweeglijke, etherische sculpturen mee te maken.

Heden ten dage is er een enorm aantal moeilijk anders te plaatsen kunstenaars die video gebruiken om een gelijktijdigheid of een synthese van beeld en geluid te bewerkstelligen. Bill Viola maakte beelden bij een elektronische compositie van Edgard Varèse: Déserts/Deserts. Eddie D. en Peter Bogers laten montage van beeld en geluid samenvallen tot een ritme dat de zintuigen gelijktijdig bestookt. Bill Spinhoven laat de tijd op de ruimte indringen en vervormt beide gelijktijdig met zijn Timestretcher. Het is het einde van een eeuw die met Einsteins relativiteitstheorie begon.

 

 

 

 

Lezingen repertoire 6 Kunst en erotiek

Erotiek: de kunst van het verleiden
Naakt in de kunst is van alle tijden, maar er zijn veel manieren en redenen om een naakt lichaam weer te geven – reden voor veel rellen! Ook voor een zinnelijk naakt bestaan uiteenlopende motieven. De uitbeelding van seks kent eveneens een lange geschiedenis, als pornografie, maar ook als vruchtbaarheidsrite, als voorbeeld voor kroonprinsen, als ritme van de kosmos, als middel tegen de overgang, als manier om vijanden belachelijk te maken, enzovoort. En de taboes op het uitbeelden van naakt en seksualiteit lijken alleen maar toe te nemen.

Kunst en taboe. Aanstoot, censuur en onzedelijkheid
Taboes zijn er om doorbroken te worden, en dat is door de eeuwen heen dan ook keer op keer gedaan. Maar wat in de ene eeuw taboe is, is in een ander tijdperk de gewoonste zaak van de wereld. De Romeinen kenden een probleemloze omgang met zowel naakt als uiteenlopende seksuele voorkeuren, die nog niet zo lang geleden als perversiteiten golden. In de Gouden Eeuw golden strenge regels op het gebied van de openbare zedelijkheid, maar Rembrandt kon niettemin prenten maken van een plassende vrouw en een copulerende monnik. Veel genreschilderijen bevatten nauwelijks verholen seksuele symboliek.
Wat Titiaan in 1538 wel mocht, mocht Manet in 1863 niet meer: een naakte courtisane afbeelden, uitgestrekt op een bed, de beschouwer frank aanziend. In het hooggesloten Victoriaanse tijdperk bloeiden pornografie en erotische kunst als nooit tevoren; kunstenaars als Klimt en Schiele raakten in de problemen door hun vrijmoedige uitbeeldingen van het vrouwelijk lichaam. Ook de beeldhouwer Brancusi moest zich voor een rechtbank verantwoorden. En vele Nederlanders namen in de jaren vijftig aanstoot aan ‘onwelvoeglijke’ oorlogsmonumenten.
Ook in ons ‘vrije’ tijdsgewricht bestaan er nog taboes in de kunst: je kunt niet alles zomaar afbeelden – het aantal rellen en opstootjes rond openbare monumenten en fototentoonstellingen is opvallend groot. Michel Didier doorkruist de kunstgeschiedenis en werpt een nieuw licht op bekende, maar ooit aanstootgevende kunstwerken, maar diept ook massa’s verrassende schilderijen, prenten en beelden uit de rijke historie op.

 

 

 

 

Lezingen repertoire 7 Kunst en esoterie

Kunst en esoterie
Spiritualiteit is geen alleenrecht van Aziatische culturen, maar speelt in het Europese denken sinds de middeleeuwen een belangrijke rol. Regelmatig zelfs een overheersende rol, zoals aan het hof van de Habsburgse keizer Rudolf II, waar vele kunstwerken nog van getuigen. Vanaf de achttiende eeuw is het gedachtengoed van de Vrijmetselaars terug te vinden in gebouwen, voorwerpen en kunstwerken.
Eind negentiende eeuw is de kunstwereld doordrenkt van esoterie. De abstracte kunst en de atonale muziek zijn zelfs niet goed denkbaar zonder de invloed van de thoofie, de Rozenkruisers en andere mystieke bewegingen op Kandinsky, Kupka, Mondriaan en Skrjabin. De antroposofie van Rudolf Steiner is vooral terug te vinden in de bouwkunst. Ook veel naoorlogse kunstenaars zijn op zoek naar ‘de klank van de kosmos’ of het nirvana: in het werk van Yves Klein, Mark Rothko, John Cage en Karlheinz Stockhausen staat de spiritualiteit voorop.

Rudolf Steiner en de moderne kunst
De wetenschapper, filosoof en kunstenaar Rudolf Steiner geldt als een van de invloedrijkste hervormers van de twintigste eeuw. Als hoofd van de Duitse Theosofische beweging begon hijmet de Antroposofie. Steiners gedachtegoed was inspiratiebron voor vele grote kunstenaars,onder wie Piet Mondriaan, Wassily Kandinsky en Joseph Beuys. Ook wordt hij gezien als grondlegger van de organische architectuur met zijn spectaculaire Goetheanum in Zwitserland.

 

 

 

Lezingen repertoire 8 Kunst en exotiek

China en de chinoiserie
Sinds Marco Polo’s wonderbaarlijke reis oefent China een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op de Europeanen. Handelscontacten leverden veel informatie op over hoe China er uitzag, maar Europa schiep een eigen China, in rococo-paleizen, Romantische tuinen, slotparken en optegels en reclameaffiches. De smaak voor draken en pagodes: een confrontatie van oost en west.

Mooi Indië: De schilders van Bali, de Boroboedoer, de sawa’s, de Merapi, de legong-danseressen en de dessa’s
Tijdens de VOC-jaren 1602-1798 gingen er geen kunstenaars naar Indië om de schoonheid van land en bevolking vast te leggen. In de romantische periode kwam er belangstelling voor de schoonheid van het landschap, de uitbarstende vulkanen, de fraaie situering van landhuizen, dorpsgezichten en de ruïnes van hindoe-Javaanse oudheden. Vooral de landschappen van Antoine Payen, de heftige jachttaferelen van Raden Saleh (de eerst bekende Indische schilder, opgeleid in Duitsland) en de portretten van Jan Daniel Beynon zijn kenmerkend voor de Indische schilderkunst van de negentiende eeuw.
De eerste helft van de twintigste eeuw is de periode van de zogenaamde ‘Mooi Indië-stijl’ met vaste ingrediënten: zon, bergen, palmen, sawahs en dorpstaferelen. ‘Mooi Indië-schilders’ slaat op een tamelijk grote groep schilders die voornamelijk de fraaie landschappen en schilderachtige bevolking van Java en Bali schilderden voor de Nederlandse kolonialen, commerciële schilders zonder academische opleiding: Ernest Dezentjé, Carel Dake, Leo Eland, Willem Dooijewaard, Menno van Meeteren Brouwer, Willem Jan Pieter van der Does, Hal Wichers, Frits Ohl, Jan Poortenaar en Gerard Willem Adolf.
De natuur en cultuur van Bali en vooral de sierlijke Balinese danseressen staan volop in de belangstelling van academisch opgeleide schilders als Wim Hofker, Hendrik Paulides, Isaäc Israels, Charles Sayers, Rudolf Bonnet, Piet Moojen, de Duitser Walter Spies, de Zwitser Theo Meier en de Belg Adrien-Jean Le Mayeur de Merprès. Tegelijkertijd werkten er modernisten als Piet Ouborg en Dolf Breetvelt.
De Europese kunstenaars die vanaf 1920 naar Indonesië gingen hebben nooit bij de vernieuwers behoord. Hun stijl was natuurgetrouw en ze hanteerden in het algemeen een kleurig palet. Om die reden vonden hun schilderijen gretig aftrek bij een traditioneel publiek, met name de oud-koloniale generatie. Na de Indonesische onafhankelijkheid, toen alle buitenlanders het land moesten verlaten, is het een halve eeuw stil geweest rond de vooroorlogse ‘Indische’ kunst.
De Japanse bezetting van de Indische archipel in de Tweede Wereldoorlog en de onafhankelijkheid van Indonesië betekende het einde van de Nederlandse schildertraditie, al bleven er schilders wonen als Rudolf Bonnet, Auke Sonnega en Theo Meier, die bij het nieuwe regime in de smaak vielen. Pas in de jaren negentig  begonnen nieuwe rijken in Oost-Azië op grote schaal te verzamelen. Nu is de economische ontwikkeling van de Vijf Tijgers weliswaar in het slop geraakt, maar Mooi Indië is al zo geherwaardeerd dat de schilderijen ook op Europese veilingen mooie bedragen opbrengen.

Indië in Nederland
Over de invloed van Nederlands-Indië (batik, gamelan, dajak-huizen, wajang, Boroboedoer) op de Nederlandse kunst (Toorop, Thorn Prikker), bouwkunst (Amsterdamse School) en kunstnijverheid (art nouveau, Nieuwe Kunst)

Indië in Nederland: batik, gamelan, Javaanse hofdansen, Minangkabause huizen, de koffieveilingen van de Deli-maatschappij…
Vanaf eind negentiende eeuw kwam Indië Nederland ‘binnen’. De invloed van allerlei aspecten van de Indische cultuur , de Indische volkeren en het leven in Indië reikte van Art Nouveau-meubels tot Amsterdamse School-architectuur, van grafmonumenten tot symfonieën. Nederland werd internationaal bekend om zijn batik-ontwerpen en Javaanse dansers, om de gamelan-muziek en natuurlijk Max Havelaar, waarin Multatuli de koloniale praktijken aan de kaak stelde. In de fraaie paviljoens die Nederlands-Indië vertegenwoordigden op vele wereldtentoonstellingen inspireerden de gamelan-klanken composities van onder anderen Claude Debussy en Reynaldo Hahn.
Over de invloed van Nederlands-Indië (batik, gamelan, dajak-huizen, wajang, Boroboedoer) op de Nederlandse kunst (Toorop, Thorn Prikker), bouwkunst (Amsterdamse School) en kunstnijverheid (Art Nouveau, Nieuwe Kunst)

Egyptomanie
Al in de oudheid voelden Grieken en Romeinen zich aangetrokken door de kunst van de Egyptenaren. Deze ‘egyptomanie’ begon opnieuw in de Renaissance en duurt voort tot op de dag van vandaag. Een breed publiek is vertrouwd geraakt met sfinxen, obelisken, scarabeeën, cobra’s en hiëroglyfen. Sinds Napoleon, de opening van het Suezkanaal en de ontdekking van het graf van Toet-anch-Amon hebben de farao’s geen geheimen meer voor ons.
De Romeinen waren de eerste egyptomanen: ze maakten obelisken en piramiden voor thuisgebruik. Pas in de zeventiende eeuw ontstond een rage om oud-Egyptische bouwvormen op landschapstuinen los te laten, en ook de Vrijmetselaars maakten ruim gebruik van alle beschikbare vormen. Maar pas na Napoleons veldtocht van 1798 gaan de remmen pas goed los en maakt Europa kennis met het oude Egypte zoals het er werkelijk uitzag.
Na 1800 is elke ‘Egyptische’ gebeurtenis aanleiding voor een Egypte-mode: Champollions ontcijfering van het hiërogliefenschrift, de oprichting van obelisken in Parijs, Londen en New York, Auguste Mariëttes opgravingen en de stichting van het Egyptisch Museum, de opening van het Suez-kanaal met Aïda, Egypte-paviljoens op wereldtentoonstellingen, de Duitse opgraving van Amarna, de Franse opgraving van Elephantine, de opvoering van het ballet Cleopatra door de Ballets Russes, de ontdekking van het graf van Toet-anch-Amon, de King Tut-tentoonstellingen in de jaren zestig en zeventig: het leverde Cleopatra-schilderijen op, Cartier-broches, mummiefilms, Luxor-hotels… De egyptomanie lijkt zo eeuwig en onsterfelijk als het faraonisch Egypte zelf.

Mijn Sarie Mareis: terug naar Zuid-Afrika
Geroerd door de Boerenoorlogen ontdekte Nederland rond 1900 de ‘stamverwantschap’ met de Afrikaners. De Groot-Nederlandse gedachte en algemene steunbetuiging waren het gevolg. Zowel in Nederland als in Engeland lieten kunstenaars hun sympathieën blijken, onder wie Alma-Tadema, Kees van Dongen en John Waterhouse. En niet alleen in Zuid-Afrika herinneren vele monumenten in steen of verf aan de Tweede Boerenoorlog, ook in Nederland zijn nogal wat sporen aan te wijzen, van Transvaalbuurten tot de monumenten die mevrouw Kröller-Müller door haar ‘eigen’ kunstenaars op de Hoge Veluwe liet oprichten voor de door haar bewonderde Boerenleiders. In Nederland leefde de ‘Boerenliefde’ vooral voort in de vorm van kampvuurliedjes als Sarie Mareis, Suikerbossie, Mama ‘k wil een man hè en Bobbejaan klim die berg.

Artis – de dieren en de kunstenaars
Sinds de oprichting van Artis in 1838 waren kunst en dieren nauw met elkaar verbonden: de Natuur was de leermeesteres van de Kunst. Voor de studenten aan de Rijksacademie waren natuurstudies verplicht; aanvankelijk werden de dieren uit Artis zelfs naar de academie gebracht, maar al snel werd het omgekeerd: kunstenaars hadden gratis toegang tot de dierentuin.

Daarnaast is Artis een typisch negentiende-eeuwse dierentuin, waar de dieren een onderkomen hebben in de stijl van het land van herkomst. Er zijn nog een paar van deze pittoreske, exotische,romantische dierentuinen in Europa.

 

Artis: de natuur als leermeesteres van joodse kunstenaars
De joodse kunstenaars Joseph Mendes da Costa, Samuel Jessurun de Mesquita, Henri en Joseph Teixeira de Mattos, Eli Smalhout en Jaap Kaas speelden een belangrijke rol in de Amsterdamse kunstscène in de eerste helft van de twintigste eeuw. In hun werk speelt de dierenwereld een belangrijke rol.
Omdat Artis in het Portugese deel van de Jodenbuurt lag, waren sefardische kunstenaars er kind aan huis: Henri Teixeira de Mattos, een internationaal geroemde dierenbeeldhouwer, zijn beide neven Joseph Teixeira de Mattos en Joseph Mendes da Costa, de schilder-illustrator David Bueno de Mesquita, de befaamde Samuel Jessurun de Mesquita, wiens oeuvre bestaat uit grafische voorstellingen van dieren, en de asjkenazische schilder Martin Monnickendam. ‘Mr. Artis’ was de asjkenazische beeldhouwer Jaap Kaas, de enige die zijn atelier in de dierentuin had. In de beginjaren van de oorlog had hij de leiding over de Joodse kunstacademie en toen hij moest onderduiken, was dat natuurlijk in Artis.

 

 

 

Lezingen repertoire 9 Kunst en mythologie

Medea
Kleindochter van de oorlogsgod, geduchte femme fatale en wreedste heks uit de oudheid: ziedaar Medea, een van de hoofdrolspelers uit de Argonautentocht, die eindigde met de verovering van het Gulden Vlies. Haar tomeloze ambities kostten velen het leven en ze is in kunst en theater dan ook vaak neergezet als fatale minnares en meedogenloze (kinder)moordenares. Toch leeft ze ook voort als heldin, als liefhebbende vrouw wier streven naar zelfbeschikking keer op keer werd gefnuikt.